Orgelbouwer Zwier van Dijk

 

Zwier van Dijk werd op 26 januari 1821 geboren in Kamperveen als zoon van een veehouder. Hij was leergierig en zeer geïnteresseerd in techniek. Na het volgen van een opleiding voor instrument of horlogemaker, vestigde hij zich in zijn woonplaats. Zijn interesse lag toen ook al bij de orgelmakerij, want in 1848 werd zijn naam al genoemd. Op 4 september van dat jaar besloten de kerkvoogden van de Broederkerk te Kampen het orgel opnieuw te laten examineren door de toen 26-jarige ‘landman’ Zwier van Dijk uit Kamperveen. Die had de laatste tijd overtuigende bewijzen van grondige kennis in het maken en herstellen van orgels geleverd. Na de uitgevoerde veranderingen en reparaties kreeg hij veel lof toegezwaaid van Jan Herman van der Dussen, de organist en klokkenist van de Bovenkerk en directeur van de plaatselijke muziekschool. Hiermee was de toon gezet! In 1856 verhuisde hij naar Kampen, waar hij zich als horlogemaker vestigde in het pand Oudestraat 1.

Na het overlijden van Herman van der Dussen, werd Zwier van Dijk op 30 april 1859 benoemd tot organist van de Bovenkerk, het bewijs dat hij een verdienstelijk organist was. Hij was toen al zeer deskundig op het gebied van de orgelmakerij, want hij gaf de kerkvoogden van de Bovenkerk nogal eens advies, onder andere voor de uitbreiding van het hoofdorgel met een vierde klavier voor het borstwerk. In de periode 1860-1865 werden deze en andere werkzaamheden door hem uitgevoerd, waaronder het vervangen en toevoegen van een aantal nieuwe stemmen, de intonatie van alle orgelpijpen en verplaatsing van de blaasbalgen. In deze periode verhuisde hij naar in het pand Oudestraat 111, nu nr. 93. waar hij zijn werkplaats had. Op 30 december 1866 jaar eindigde zijn bestaan als vrijgezel. Toen trouwde de 45-jarige Zwier met de 50-jarige Elsje Proper uit Heerde. Als gevolg van dit huwelijk kwam Jan Proper in de orgelmakerij van zijn oom terecht. Hij werd zijn meesterknecht en op den duur ontstond er een samenwerkingsverband. Ze bouwden onder andere samen het orgel van Mastenbroek (1888) en het orgel van Zalk (1891). Vanaf 1886 trad Jan Proper ook op als orgelbouwer onder eigen naam. Zijn eerste werk bouwde hij in 1887 voor de gereformeerde gemeente van Zierikzee.

Hoe Zwier van Dijk zich de kennis van de orgelbouw eigen heeft gemaakt, is niet bekend. Zeer waarschijnlijk was hij een autodidact. Bekend is dat Zwier in eerste instanties orgels kocht en ze na de nodige reparaties of uitbreiding weer verkocht. Zeer waarschijnlijk kwam hij daardoor in contact met orgelbouwer Hermanus Knipscheer in Amsterdam en ontstond er vriendschap. Bekend is dat hij voor Knipscheer het orgel in de hervormde kerk van Veessen keurde en dat ze samen een orgel van Knipscheer In de Hofstraatkerk in Kampen plaatsten. Het staat vast dat zwier van Dijk ieder jaar een paar keer met de boot naar zijn vriend in Amsterdam reisde. Daar bestudeerden ze samen het boek L’Art du Facteur d’Orgues. Dit boek over orgelbouw en de daarin beschreven technieken, werd in de jaren 1766-1778 samengesteld door de Benedictijner monnik Dom Jean Francois Bédos de Celles. Ongetwijfeld heeft hij uit dit boek en de gesprekken met Knipscheur de nodige kennis opgedaan en vergroot en heeft het een stempel gedrukt op zijn werk. Het pijpwerk, naar Franse factuur, ontleend aan het genoemde boek, vervaardigde hijzelf en was van een uitmuntende kwaliteit. Bovendien was Zwier een voortreffelijk intoneur. Zijn brede interesse in techniek en zijn precieze aanpak van het werk, resulteerden uiteindelijk in de bouw van nieuwe orgels en het uitvoeren van vele reparaties en uitbreidingen. Zijn bekendste orgels die hij bouwde, zijn: het orgel in de Burgwalkerk in Kampen (1877) en in de Hervormde kerk van Genemuiden.

Het orgel in Genemuiden is onbetwist zijn meesterwerk. De kerkenraad wilde een fraai orgel dat op het vorige leek. Ze trokken er maar liefst 7000 gulden voor uit. Zwier van Dijk stierf op 14 april 1894. Er waren geen kinderen. Hij woonde toen nog steeds in het pand Oudestraat 111, nu nr. 93. De orgelbouwer was niet onbemiddeld. Hij bezat onder andere 14.000 gulden aan binnen- en buitenlandse effecten, had 6.900 gulden aan leningen uitstaan en bezat een tweede huis aan de Vloeddijk. Een publicist typeerde hem als volgt: ’Hij was een zeer verdienstelijke orgelmaker. Volhardende ijver, schier eindeloos geduld en vindingrijk vernuft, hebben hem de grote bezwaren van zijn vak doen overwinnen. Jarenlang zullen de vele kunstwerken door hem gewrocht tot zijn lof getuigen. Hij is ook de grondlegger geweest van de bloeiende kerkorgelfabriek van de heer J. proper alhier’. Na het overlijden van Zwier van Dijk nam Jan proper de orgelmakerij over. Die bouwde een groot aantal orgels in het hele land In de periode dat hij orgelbouwer was, manifesteerde zich het fabrieksmatige aspect in de orgelbouw meer en meer.